Praten met een brugklasser: Bart

In de school hangt aan het eind van de ochtend de geur van kroketten. Eén keer per maand heeft de kantine die op het menu staan. Veel leerlingen houden dat beter in de gaten dan hun huiswerk. De broodjes gezond, die op andere dagen wel goed verkopen, leggen het daarbij af. Leerlingen, merendeels jongens, uit alle leerjaren drommen ruim vóór de bel al rumoerig samen bij de kantine. Achter een paar boomlange knullen zie ik Bart uit 1D, die ik vanochtend gesproken heb. Samen met een klasgenoot lijkt hij vast van plan te zijn er een te bemachtigen. Klein als hij is staat hij zijn mannetje, en sleept een broodje kroket in de wacht.

Bart lust bijna niets, en vindt zichzelf te dun

Ik weet door ons gesprek van vanochtend dat het voor Bart niet vanzelfsprekend is om iets uit de kantine te eten. Hij lust namelijk heel erg weinig, en vindt dat zelf een groot probleem. Op de vragenlijst had hij, in verschrikkelijk slordige hanepoten, met een bot potlood geschreven: “hoe kan ik beter leren eten?” Ook had hij aangegeven niet tevreden te zijn met zijn gewicht. Hij vindt zichzelf te dun.

“Ik heb nooit groente leren eten, want mijn moeder is eigenlijk te lief’, zo begon hij zijn relaas. Als moeilijk etend kind dat altijd aan de dunne kant was, werd hem door zijn ouders niets in de weg gelegd. Of hij nou vissticks als ontbijt wilde, of brood met pindakaas in de avond, alles mocht. Als hij maar at. Zo ontstond er een patroon dat moeilijk te doorbreken bleek, en waar ieder een aandeel in had. Bart is slim genoeg om dat in te zien. “Maar ja, ik ben ook nog maar een kind he!”, zo besloot hij dat zijn aandeel toch minder groot is dan dat van zijn ouders.

Vissticks als ontbijt? Prima, vonden zijn ouders

Op mijn vraag wie er dan kan zorgen dat daar iets in verandert erkende hij schoorvoetend dat hij dat zelf is. Met hulp van zijn ouders weliswaar. Ik gaf hem adviezen voor een stappenplan aan de hand van de schijf van 5. Zo kan hij de komende tijd proberen om zijn zeer beperkte lijst van eten dat hij lust, uit te breiden. Zoals bij veel kinderen gingen zijn ogen wijd open bij het zien van de aanbevolen hoeveelheid groente voor zijn leeftijd. (150-200 gram) “Hoeveel weegt een lepel doperwten?” zuchtte Bart daarbij. Hij heeft nog een lange weg te gaan…

Ik bel zijn moeder morgen even op, nadat Bart thuis hopelijk zelf van zijn goede voornemens heeft verteld. Over een paar maanden zie ik hem weer, op het CJG-kantoor, met zijn moeder erbij. Het doel is dat hij dan geen ondergewicht meer heeft en meer lust dan nu, door te blijven proeven van wat hij nog niet lust. En dat hij dagelijks groente eet. Dan mag af en toe een kroketje natuurlijk best.

Praten met een brugklasser

Het CJG volgt ieder kind, vanaf de geboorte tot het jaar waarin het 18 wordt. Onderdeel hiervan is een gesprek dat de jeugdverpleegkundige op school heeft met iedere brugklasser: hoe gaat het, zowel geestelijk, lichamelijk als sociaal? In de serie ‘Praten met een brugklasser’ vertelt jeugdverpleegkundige Tita van der Pot over deze gesprekken die zij al 8 jaar geregeld voert. Haar ervaringen zijn geanonimiseerd.

Eerder gepubliceerde blogs

Vind je de informatie op deze pagina interessant?

Heb je een vraag aan ons? Geef dan je mailadres en/of telefoonnummer door zodat we met jou in contact kunnen komen.