Praten met een brugklasser: Bengül

In het tekenlokaal is het een vrolijke boel. Achtentwintig kinderen werken druk kwetterend aan een kleurencirkel. Het valt niet eens op dat ik binnenkom. Ik vraag de docent wie Bengül is. Ze zit in diepe concentratie boven haar vlekkeloze werk gebogen. Ze heeft het als enige al bijna af. Haar gezicht toont weinig emotie als ze opkijkt. Ze schudt me een smal warm handje met keurig gelakte nageltjes. Precies dezelfde kleur als haar vrolijke T-shirt. Haar mooie, ernstige donkere ogen steken er bij af. We lopen samen naar het kamertje waar ik vandaag zit. “Wat werk je netjes,” babbel ik onderweg, in een poging de stilte te verbreken. Op de gang geen persoonlijke zaken natuurlijk. Ze knikt.

Ze gaat zitten en schudt haar lange zwarte haren naar achteren. Ze gaat het gesprek als een plichtpleging aan. Zegt geen woord teveel. Haar zachte stem is net te verstaan boven het tumult van het lokaal naast de spreekkamer. Ik besluit heel direct te zijn. “Ik zie dat je in de vragenlijst hebt ingevuld dat je je wel eens depressief voelt”. Ze knikt weer. “Weet je zelf waarom dat is?” Ze haalt haar schouders op. “Ik vind er gewoon niet zoveel aan.“

Met veel vijven en zessen legt ze wat uit. Ze vindt school gewoon niet leuk. Ze komt er om te leren en dat doet ze dan ook. En goed. Met de mensen om haar heen heeft ze niks. Wil ze ook niet. “Ze zijn zo ontzettend kinderachtig. Vooral de jongens,” zucht ze. Thuis gaat er veel aandacht naar haar broertje met downsyndroom. Moeder heeft haar handen vol aan hem. Bengül moet veel helpen thuis. Ze schetst een plichtmatig leven zonder franje. Lezen is haar enige ontsnapping daaraan.

Ik vraag naar wat ze graag zou willen, hoe zou haar leven eruit moeten zien. Ze hoeft niet lang na te denken: “Volwassen en zelfstandig zijn.” Ze werkt er alle dagen hard naartoe en klinkt als een kind dat de puberteit overslaat. Een volwassene in een kinderverpakking. Waar haar klasgenoten amper een paar dagen vooruit kunnen kijken, ligt haar doel in hun ogen onpeilbaar ver.

Ik sta met lege handen in mijn wens voor dit meisje iets te kunnen betekenen. Begeleiding die ze kan krijgen als ‘zus van’ heeft ze allang gehad. Ze weet waar ze terecht kan om te praten over wat haar dwars zit. Mijn folder heeft ze beleefd aangenomen. Mijn aanbod voor gesprekken met schoolmaatschappelijk werk heeft ze beleefd afgeslagen. Dit meisje kan praten wat ze wil, maar dat wil ze dus niet. Daar wordt ze geen dag eerder 18 van…

Praten met een brugklasser
Het CJG volgt ieder kind, vanaf de geboorte tot het jaar waarin het 18 wordt. Onderdeel hiervan is een gesprek dat de jeugdverpleegkundige op school heeft met iedere brugklasser: hoe gaat het, zowel geestelijk, lichamelijk als sociaal? In de serie ‘Praten met een brugklasser’ vertelt jeugdverpleegkundige Tita van der Pot over deze gesprekken die zij al 8 jaar geregeld voert. Haar ervaringen zijn geanonimiseerd.

Vind je de informatie op deze pagina interessant?

Heb je een vraag aan ons? Geef dan je mailadres en/of telefoonnummer door zodat we met jou in contact kunnen komen.