Praten met een brugklasser: Tom

Een heel zacht klopje op de deur die al half openstaat. “Tom? Kom verder!” zeg ik. Een kleine jongen steekt zijn hoofd om de hoek. Hij kijkt als een konijn dat in de koplampen staart. Er zitten broodkruimels in zijn mondhoek, en het haar op zijn achterhoofd staat alle kanten op. Volgens zijn dossier zou hij 12 moeten zijn, maar je zou hem amper 10 schatten. Wat een klein jochie. Ernstig kijkend gaat hij zitten.

Hij heeft in de vragenlijst ingevuld dat hij bij een psychiater komt. Daarover heb ik van zijn mentor niets gehoord, en ik ben benieuwd naar het verhaal erachter. Maar eerst het ijs eens zien te breken. “Wat zijn je hobby’s?” vraag ik. Dat is er één: gamen. Hij noemt een paar bekende games waarover ik meer jongens hoor. In zijn ogen komt een schittering als hij vertelt dat hij met vrienden van over de hele wereld gamet. Vrienden die hij nog nooit gezien heeft. Dat geeft niet. “Maar ik mag in de avond maar tot acht uur, en dan zijn mijn Amerikaanse vrienden nog niet uit school”, zegt hij spijtig. Hij kijkt me voor het eerst echt aan. Duidelijke regels thuis, dus.  Hij lijkt ze niet ter discussie te stellen. Moeder maakt de planning van het schoolwerk voor hem. Hij wil altijd weten waar hij aan toe is.   “Anders raak ik gestrest, want ik heb een soort autisme”, legt hij ongevraagd uit.

Een paar dingen waarvan ik weet dat het de mentor was opgevallen, vallen bij mij op zijn plaats. Hij doet nooit mee met wilde stoeispelletjes op de gang; dan lijkt hij met zijn gedachten ergens anders te zijn en zich af te sluiten. Ook zoekt hij weinig contact met klasgenoten. Toch gaat het goed met hem. Dat zegt hij overtuigend. Hij zegt de school prima te vinden. Want de leraren leggen goed uit, het gebouw bevalt hem ook goed en hij heeft pas één onvoldoende gehaald. “Want toen had ik hoofdpijn”.

Ik zie vaker leerlingen met een diagnose die door hun ouders niet vermeld is op de middelbare school. “We willen geen etiketje”, zeggen ouders dan. Soms hopen ze dat een nieuwe start veel beter zal gaan als er onbevooroordeeld naar hun kind wordt gekeken. Bij Tom lijkt het goed uit te pakken. Toch vraag ik of hij het goed vindt als ik zijn ouders daarover bel. Ik wil ze ook spreken omdat hij niet zo goed groeit. “Ja, maar niet op maandag en donderdag”, zegt hij gedecideerd. “Dat kan niet met hun werk.” Heerlijk duidelijk, deze knul. Ik tip hem nog even over de broodkruimels in zijn mondhoek, en onderdruk bij het afscheid de neiging om met een aai over zijn bol zijn haar glad te strijken. Hij is toch echt al 12.

Praten met een brugklasser
Het CJG volgt ieder kind, vanaf de geboorte tot het jaar waarin het 18 wordt. Onderdeel hiervan is een gesprek dat de jeugdverpleegkundige op school heeft met iedere brugklasser: hoe gaat het, zowel geestelijk, lichamelijk als sociaal? In de serie ‘Praten met een brugklasser’ vertelt jeugdverpleegkundige Tita van der Pot over deze gesprekken die zij al 8 jaar geregeld voert. Haar ervaringen zijn geanonimiseerd.

Vind je de informatie op deze pagina interessant?

Heb je een vraag aan ons? Geef dan je mailadres en/of telefoonnummer door zodat we met jou in contact kunnen komen.